Daar stond ik dan
moederziel alleen,
alleen oo het plein,
in de hoek, bij het hek.
Mijn lange blonde vlechten,
als koude pegels ijs
in mijn iets te dikke nek.
Ik hoorde de geluiden,
het lachen en het zingen,
de hoge, schelle kreten;
ze waaiden steeds voorbij.
De opgewonden stemmen
om nutteloze dingen.
De ruzies die er waren;
ze gingen niet om mij.
Daar zat ik dan
moederziel alleen,
alleen in de klas,
bij het raam, in de hoek.
Ik schuilde in mijn lichaam;
onzichtbaar acheraan
en verstopt achter een boek.
Ik hoorde 't zachte krassen,
de woorden die ze schreven
met 't kleine witte krijtje
op 't grote, zwarte bord.
De letters die daar stonden,
die vreemde tekens bleven,
ze waren niet voor mij.
Ze waren niet voor mij.
Een lange, lange dag, en niemand die me zag.
We zagen je wel,
we zagen je wel,
we zagen je zitten
en staan op het plein.
Je was zo ver weg,
zo eideloos ver.
Je liet ons niet toe
op jouw stille terrein.
We vroegen je wel,
we vroegen je wel,
we vroegen je vaak,
maar je antwoordde niet.
Je was zo ver weg,
zo eindeloos ver.
We lieten je gaan
met je stille verdriet.