Praten lukt me zo af en toe,
als ik het maar met m'n vrienden doe.
M'n tranen hoog,
Gebogen rug.
Ik krijg je niet terug.
Ik kom er heus wel overheen,
als ik mezelf de tijd maar gun.
Maar nu ben ik het liefst alleen,
het ijs is nog te dun.
De dagen schrijden aan mij voorbij,
als een sombere lange rij.
Ik doe m'n best,
om door te gaan.
Dus ik sluit achteraan.
Ik kom er heus wel overheen,
als ik mezelf de tijd maar gun.
Maar nu ben ik het liefst alleen,
het ijs is nog te dun.
En ik besta wel,
dus ik weet wel,
dat ik rustig verder leef.
Want ik moet wel,
en ik wil wel,
als ik jou m'n plekje geef.
Want langzaam voel ik m'n handen weer,
de tinteling in m'n vingers weer.
En pak ik straks,
m'n leven op,
als de winter is gestopt.
Ik kom er heus wel overheen,
als ik mezelf de tijd maar gun.
Maar nu ben ik het liefst alleen,
het ijs is nog te dun.
Maar nu ben ik het liefst alleen,
het ijs is nog te dun.